Vertellingen in Kamp Westerbork
dinsdag, 03 maart 2026
Vertellingen in Kamp Westerbork
Elke laatste zondag van de maand (aanvang 13.30 uur) is er een vertelling in het museum van Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Een unieke kans om herinneringen uit de eerste hand te horen, met een extra dimensie vanwege de historische setting in Kamp Westerbork.
Toegang is gratis op vertoon van een museumticket.
PROGRAMMA
Zondag 29 maart - Ruth Feigenbaum
Zondag 26 april - Mieke van Creveld - Zeehandelaar
Zondag 3 mei - Chaïm Alster (extra lezing)
Maandag 4 mei - Eva Weyl & Wolfgang Polak (extra lezing)
Zondag 31 mei - Alfred de Leeuw
Zondag 28 juni - Michiel Cohen de Lara
Zondag 26 juli - Rob Bonn
Zondag 29 maart 13.30 uur Ruth Feigenbaum
De vader van Ruth Feigenbaum (1952) overleefde Theresienstadt, Auschwitz en Mauthausen. “Ik had geen familie, geen grootouders, tantes, ooms, neefjes, nichten… Ik moest het voor mijn ouders de moeite waard maken dat ze hadden overleefd.” Ruth Feigenbaum, dochter van Heinz Vijgenboom en Henriëtte Zeehandelaar, beide Joods. Vader Heinz Vijgenboom (Wenen, Oostenrijk,1921) is geboren als Heinz Feigenbaum. Na de Anschluss (maart 1938) vlucht hij naar Nederland, met achterlating van alle bezittingen. Hij blijkt echter ook in Nederland niet veilig. In 1942 komt Heinz met zijn ouders terecht in kamp Westerbork, waar hij trouwt met Ina. In 1944 gaat de hele familie op transport. Ina (9 maanden zwanger) wordt direct vermoord in Bergen Belsen. Heinz overleeft verschillende concentratiekampen (Theresiënstadt, Auschwitz, Amstetten) en wordt uiteindelijk, meer dood dan levend, bevrijd in Mauthausen op 5 mei 1945. Direct na de oorlog verandert Heinz zijn Duitse achternaam in een Nederlandse; hij heet voortaan Heinz Vijgenboom. Moeder Henriëtte Zeehandelaar (geboren 1921) was al voor de oorlog verloofd met een Duits-Joodse immigrant. Haar verloofde is echter in de onderduik verraden, gedeporteerd en vermoord. Henriëtte is tijdens de gehele oorlog als koerierster actief in het verzet, geen kleinigheid voor een Joodse vrouw. Ruth Feigenbaum groeit op met twee getraumatiseerde ouders. De oorlog, het verleden, speelt een dagelijkse rol in het gezin. Ruth heeft, net als veel andere Joodse kinderen van na de oorlog, bijna geen familie. Haar ouders zijn anders dan andere ouders. Ruth voelt zich al jong zeer verantwoordelijk voor hen. “Ik wilde dat mijn ouders blij waren. Het moest voor hen de moeite waard zijn dat ze het hadden overleefd.” Ruth Feigenbaum heeft als eerste in Nederland gepubliceerd over de Tweede Generatie (kinderen van oorlogsgetroffenen). Zij heeft zich als psychoanalytisch psychotherapeut gespecialiseerd in de behandeling van oorlogsgetroffenen en hun kinderen. Heinz zag het als zijn plicht om, als overlevende, te getuigen en te vertellen over de oorlog. Hij heeft (tot zijn overlijden in 2009) regelmatig als gastspreker voor de klas gestaan of in Westerbork schoolklassen rondgeleid. Ruth vindt het belangrijk dat het verhaal wordt doorverteld. Zij spreekt over de impact die de oorlog heeft (gehad) op haar eigen leven en het belang van een leven in veiligheid voor ieder mens ongeacht ras of huidskleur. Over het opgroeien met getraumatiseerde ouders schreef Ruth Feigenbaum de roman “In april was het gras op” (Podium 1999). Een portret van haar vader is te zien in de documentaire “Leven na de ondergang – portretten van holocaustoverlevenden”
Zondag 26 april 13.30 uur Mieke van Creveld - Zeehandelaar
Mieke van Creveld (1936) overleefde Westerbork, Bergen Belsen en ‘het Verloren Transport’. De herinneringen vallen steeds zwaarder, daarom is deze vertelling in Westerbork het sluitstuk. Nog één keer vertellen, dan is het klaar. Mieke Zeehandelaar groeit op in Amsterdam, in een bewust Joods gezin. Eind 1942 wordt ze met haar ouders opgepakt en naar kamp Westerbork overgebracht. Mieke is dan 6 jaar oud. De dagen vullen zich met ‘spelen achter prikkeldraad’, het schooltje waarvan leeftijdgenootjes steeds op transport verdwijnen en de zorgen van haar moeder. Na anderhalf jaar wordt het gezin in februari 1944 gedeporteerd naar Bergen Belsen. De toestand daar verslechtert snel aan het eind van de oorlog. Hoewel de geallieerden in april 1945 van alle kanten oprukken, komt aan het oorlogsleed van Mieke en haar familie nog geen einde. De nazi’s maken drie treinen gereed voor vertrek naar een onbekende bestemming in het oosten. Als onderdeel van wat bekend zal worden als het Verloren Transport eindigt de vreselijke reis na tien dagen in Tröbitz, tussen Leipzig en Dresden. Op de ochtend van 24 april 1945 wordt het treinstel bevrijd door de Russen. Op negenjarige leeftijd keert Mieke in Nederland terug als een oude vrouw. “Er zijn eisen aan me gesteld die je nooit aan kind zou stellen”. De oorlog is van grote invloed geweest op de rest van haar leven. Mevrouw Van Creveld vertelt op de website van de NOS (mei 2017) over haar herinneringen aan de Jodenster, zie daarvoor https://lab.nos.nl/projects/jodenster/index.html
EXTRA LEZING - Zondag 3 mei 13.30 uur Chaïm Alster
Als Duits-Joodse vluchteling kwam Chaïm Alster (1936) naar Nederland. “Ik had een hekel aan mensen ontwikkeld, en werd een keiharde zakenman. Maar op mijn 51e gooide ik het roer om, want ik was niet geworden wie ik wilde zijn.” Chaïm Alster is als Joods jongetje geboren in Berlijn, Duitsland. Zijn ouders waren daarvóór al met hun families uit Polen en Oekraïne gevlucht vanwege de vervolging en moord (pogroms) op Joden door Polen en Oekraïners. Maar ook Berlijn is onder Hitler niet veilig, het gezin vlucht daarom in 1937 naar Amsterdam. Chaïm is 6 jaar oud als de oorlog in Nederland uitbreekt. De anti-Joodse maatregelen gelden ook voor hem, zoals het verplicht dragen van de Jodenster in 1942. Wederom slaan ze op de vlucht: een gezin met drie jonge kinderen zwervend door België en Frankrijk. Chaïm: “Het was vooral eindeloos veel lopen. En altijd de angst om opgepakt te worden.” Na 4 maanden bereiken ze het neutrale Zwitserland. In 1946 keren ze terug naar Amsterdam, Chaïm is dan 10 jaar oud. Reden tot vreugde is er echter niet. De hele rest van de familie, grootouders, ooms en tantes, neven en nichten, blijken te zijn vermoord in concentratiekampen. Ook reageren veel Nederlanders negatief op teruggekeerde Joden. Chaïm wordt gediscrimineerd en buitengesloten, waardoor hij een hekel aan mensen ontwikkelt. Als opgroeiende jongeman is hij eenzaam en niet happy. Als zakenman wordt hij hard, kil en zakelijk: dat is zijn manier om te ‘overleven’. Maar ook beseft Chaïm dat dát niet de persoon is die hij wil zijn. Op zijn 51e gooit hij het roer radicaal om en laat de ‘shit’ achter zich. In plaats van ‘overleven’ is hij nu klaar om écht te ‘leven’. Als gastspreker wil Chaïm Alster vooral duidelijk maken welk effect uitsluiting en discriminatie heeft op een mens. “Maak geen slachtoffers door te discrimineren, en laat je nooit tot slachtoffer maken.”
EXTRA LEZING - Maandag 4 mei 12.30 uur (let op: aanvangstijd anders dan gebruikelijk)
Eva Weyl & Wolfgang Polak
Eva Weyl (1935) en Wolfgang Polak (1934) ontmoeten elkaar in 2025, na 83 jaar, bij toeval. Als kind hadden ze samen gespeeld in Kamp Westerbork. “Het is een wonder dat wij elkaar na zoveel tijd weer zien. We leven nog!” Eva Weyl kwam in 1942 als Joods meisje van 6 jaar met haar ouders in kamp Westerbork. Haar ouders vluchtten vóór de oorlog vanuit Duitsland naar Arnhem, waar Eva werd geboren. Vader Weyl begon in Arnhem een textielzaak. Om het gezin bijeen te houden, gaven Eva’s ouders gehoor aan de oproep van de nazi’s zich te melden in kamp Westerbork. Eva ging in het kamp naar school en maakte de schijnwereld, die kamp Westerbork was, van dichtbij mee. Doordat haar vader administratief werk deed in het kamp, werd het gezin niet gescheiden en kon Eva samen met haar ouders en een andere familie in een kleine barak wonen. Haar beide grootvaders komen ook in kamp Westerbork terecht en worden naar Theresienstadt gedeporteerd. Zij overleven de oorlog. Uiteindelijk maakt Eva samen met haar ouders op 12 april 1945 de bevrijding in kamp Westerbork mee. Omdat ze niet eerder dan augustus 1945 het kamp kon verlaten, was ze ook getuige van het feit dat er NSB-ers in kamp Westerbork werden opgesloten. Eva Weyl is al een aantal jaren verbonden aan het Landelijk Steunpunt Gastsprekers WOII-Heden en vertelt haar verhaal ook op scholen. Ze wil de geschiedenis levend houden en laten zien wat de gevolgen zijn van racisme en discriminatie. Zie ook de website van Eva Weyl zelf http://www.evaweyl.nl
Zondag 31 mei 13.30 uur Alfred de Leeuw
De ouders van Alfred de Leeuw (1950) werden verliefd in Kamp Westerbork, en overleefden daarna Auschwitz en Bergen Belsen. “Een familiegeschiedenis dat verteld móet worden, want wie zijn geschiedenis niet kent heeft geen toekomst.” Alfred de Leeuw is Joods en de zoon van Sera van Esso en Max de Leeuw. Zijn ouders kenden elkaar voor de oorlog niet. De vader van Alfred wordt in het najaar van 1942 opgepakt en komt in december 1942 in Kamp Westerbork terecht. Daar krijgt hij werk in het ziekenhuis van het kamp, waardoor hij vooralsnog gevrijwaard is van transport. In 1943 ontmoet hij een meisje in de kantine van kamp Westerbork. Dat meisje is Sera van Esso. Ze worden verliefd en verloven zich in het kamp. Maar de constante stroom van de vertrekkende transporten uit Westerbork maakt dat de kersverse relatie abrupt verbroken wordt in februari 1944. Sera wordt met haar familie naar Bergen Belsen gedeporteerd. Tien dagen later hoort ook Max dat hij moet vertrekken naar Theresienstadt. Vanuit Theresienstadt volgt een transport naar Auschwitz, waar hij wordt geselecteerd voor slavenarbeid. Zowel Max als Sera overleven de verschrikkingen in de kampen. Beiden komen ziek en ondervoed terug in Nederland. Daar worden ze teruggebracht naar Amsterdam, waar ze elkaar op een wonderbaarlijke wijze weer treffen. Ze trouwen en in 1950 wordt Alfred geboren. De gebeurtenissen van de oorlog hebben een onmiskenbaar invloed op het naoorlogse gezinsleven. Alfred wordt vernoemd naar de vermoorde broer van zijn vader en de moeder van Alfred blijft langdurig ziek door de ontberingen die ze doormaakte in Bergen Belsen. In 2022 besluit Alfred een reis te maken naar Bergen Belsen en Auschwitz, de kampen waar zijn ouders hebben vastgezeten. Het is een bijzondere ervaring die hem sterkt in de overtuiging om zijn familieverhaal verder te vertellen. Daarom vertelt Alfred zijn verhaal op scholen. Alfred: ‘want een land dat zijn geschiedenis niet kent heeft geen toekomst’.
Zondag 28 juni 13.30 uur Michiel Cohen de Lara
Michiel Cohen de Lara (1943) wordt als pasgeboren baby in de onderduik gebracht. Zijn ouders komen nooit meer terug. Wat moet er dan met dit kind gebeuren? Terug naar de Joodse gemeenschap, of bij de pleegouders blijven? Michiel Cohen de Lara is geboren te Amsterdam als zoon van rabbijn Meijer Cohen de Lara en Clara Cohen de Lara - Mendelson. Clara was onderwijzeres op een Joodse basisschool. Als Michiel ter wereld komt is de Jodenvervolging in volle gang. Veel Joden zijn al opgepakt en weggevoerd via Kamp Westerbork. Het net sluit zich steeds meer rondom de overgebleven Amsterdamse Joden. Daarom hadden Meijer en Clara al voor Michiels geboorte besloten om hem onder te brengen bij het verzet. Twee weken na de geboorte gaven zij hun pasgeboren kind af aan twee dames en uiteindelijk komt Michiel terecht op een onderduikadres bij de familie Donk. Niet veel later werden Meijer en Clara opgepakt en via Westerbork zijn ze gedeporteerd naar Auschwitz. In zijn gastles vertelt Michiel wat er met zijn ouders is gebeurd, maar ook vertelt hij over zijn naoorlogse leven waarin hij worstelt met zijn identiteit. Na de oorlog start een rechtszaak omdat de familie van moeders kant hem graag terug wil. Er wordt besloten dat Michiel mag blijven bij zijn pleegouders, de familie Donk, maar de voorwaarde is dat hij contact onderhoud met zijn Joodse familieleden en op Joodse les gaat. Het opgroeien tussen twee werelden is verwarrend voor de kleine Michiel. Meer dan 80 jaar later kan hij terugblikken op een bewogen leven, maar heeft hij ook lessen geleerd. Dit wil hij graag delen met de leerlingen van vandaag.
Zondag 26 juli 13.30 uur Rob Bonn
Rob Bonn (1943) krijgt een schuilnaam bij zijn geboorte op een onderduikadres. Op zijn 13e doet hij een bizarre ontdekking. “Wat bleek, ik bestond niet. Er was geen Rob Bonn.” Rob Bonn is zoon van het Joodse echtpaar Jonas (Jo) Bonn en Eline (Lien) Stofkooper. Zij trouwden in 1940 en in 1942 werd dochter Mirjam geboren. Kort daarna werd Jo bij een razzia opgepakt en vastgezet in de gevangenis in afwachting van deportatie naar Polen. Omdat het vanaf dat moment heel gevaarlijk was voor de families Bonn en Stofkooper, moesten zij allemaal ogenblikkelijk onderduiken. Lien en baby Mirjam kregen onderduik in Duivendrecht, tezamen met oma Stofkooper en een pleegdochter van Lien. Acht maanden later werd Rob geboren op het onderduikadres, hij kreeg de schuilnaam Robert Kok. Vrijwel direct na zijn geboorte moesten ze wegens verraad naar een ander onderduikadres. Ze kwamen terecht op de Veluwe nabij Epe, in een leegstaande schuur met ondergrondse schuilkelder. Na de bevrijding kwam vader Jo vrij uit de gevangenis en werd herenigd met zijn vrouw, dochter én zoon die hij nog niet eerder had gezien. Helaas waren Lien en Jo zo van elkaar vervreemd dat zij niet meer samen een gezin konden vormen. Rob groeit op in Amsterdam. Over de oorlog wordt nooit meer gesproken, en niemand hoeft te weten dat zij eigenlijk Joden zijn. Als Rob 13 jaar oud is doet hij een bizarre ontdekking: “Wat bleek, ik bestond niet. Er was geen Robert Bonn geboren 10 mei 1943. Wel was er een Robert Kok op die datum ingeschreven bij de burgerlijke stand. Iedereen was na de oorlog terug geschreven naar hun oorspronkelijke namen maar mij waren ze vergeten.” Ron Bonn is inmiddels gepensioneerd zakenman en trotse vader en opa. Ook geeft hij rondleidingen over de Joodse Begraafplaats in Muiderberg.
