Kind van de oorlog in Nederlands-Indië
Gelske van der Vlugt
Gelske van der Vlugt wordt geboren op 4 mei 1941 op Oost-Java als jongste kind in een onderwijzersgezin. In 1942 wordt Gelske’s vader vanwege de dreigende oorlog opgeroepen als dienstplichtig soldaat. Het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL) moet zich na een korte strijd tegen de Japanse bezetter gewonnen geven. "Direct na de capitulatie werd mijn vader gevangen genomen en vertrok hij als krijgsgevangene naar Birma om daar te werken aan de Birmaspoorlijn". Eind 1942 wordt de rest van het gezin Van der Vlugt geïnterneerd. Gelske en haar familie komen eerst in een zogenaamde ‘beschermde wijk’ terecht. In februari 1944 worden ze vervolgens op transport gezet naar het kamp Karang Panas in Semarang. Na enkele maanden worden Gelske’s oudste twee broers naar een mannenkamp overgebracht. "Mijn jongste broer en ik bleven bij mijn moeder die ziek werd. In november 1944 werd ons kamp opgeheven en moesten we lopend naar kamp Lampersari waar meer dan achtduizend vrouwen en kinderen verbleven". Gelske’s moeder sterft op 3 mei 1945. Gelske en haar jongste broer maken in Lampersari uiteindelijk het einde van de oorlog mee, waarna korte tijd later haar twee oudste broers zich bij hen voegen.
In november 1945 vertrekken de kinderen Van der Vlugt met één van de eerste boten uit Semarang richting Batavia en daarna naar Tjimahi. Daar blijven zij onder de hoede van een oom en tante tot april 1946. Aangekomen in Nederland wachten ze bij familie op de terugkeer van hun vader. "In augustus 1946 kwam mijn vader naar Nederland… een onbekende vader. In 1947 vertrok hij alweer naar Indië om daar aan het werk te gaan als onderwijzer. Wij volgden met ons vieren in 1948". In 1951 volgt de definitieve terugkeer naar Nederland. In de jaren tachtig blijkt welke grote invloed de oorlog op het leven van Gelske heeft gehad. Ze komt terecht in een depressie waar ze pas echt weet uit te komen nadat ze in contact komt met lotgenoten. Hieruit ontstaat de "werkgroep kongsi’s" om later op te gaan in de KJBB (Vereniging Kinderen uit de Japanse Bezetting en Bersiap 1941-1949). Later werkt ze aan het opzetten van KOMBI, een organisatie voor alle kinderen van de oorlog. Gelske leert in deze periode te spreken over haar verleden. "Het is belangrijk om te vertellen over de ruimte die het kan geven als je de haat voorbij bent".